De Germanen in Ons ~ voor Gerard Spong

De Germanen in Ons ~ voor Gerard Spong

Farwerck

De Germanen in Ons ~ voor Gerard Spong

Ergens in het voorjaar van 1982 raakte ik in gesprek met een man die ik niet kende, het gesprek vond deels plaats in de zon, aan de rand van een zwembad. Die man was Gerard Spong en – om een lang verhaal kort te maken – nu, ruim dertig jaar later, zijn we nog steeds bevriend. Zo las ik vorig jaar zijn spannende – en voor mij ook leerzame – boek de Breuk. In de zomer van 2013 lagen we wederom ergens in de zon en aan het water en wisselden we wat uit over het boek. Ik vroeg om wat achtergronden nog en gaf mijn indrukken wat weer. Eén indruk die ik toen niet uitgesproken heb, geef ik alsnog.

 

Gerard Spong ~ De breuk

Begraven

In De breuk wordt beschreven waar Allard Wissinger, verdacht van moord op zijn vriendin en cliënt van mr Charles Fitzroy Spinning, deze vriendin begraven heeft. Nadat hij haar, naar zijn zeggen, dood had aangetroffen op bed. Hij begroef haar – om haar dichtbij zich te houden – in de tuin, voor de deur van de keuken (pp. 23, 122). Toen ik dat las, dacht ik: ‘dichtbij de vuur- en kookplaats, dicht bij de drempel, dit past nog echt in een Germaanse traditie!’ Er zijn niet zoveel mensen die zich er bewust van zijn dat we nog wel met het nodige aan cultuur- en gedachtengoed van de Germanen rondlopen anno 2014, maar dat is wel echt een gegeven. Het is eigenlijk merkwaardig dat wij – Nederlanders – weinig oog hebben voor de oude tradities die zonder meer vormend geweest zijn voor onze manier van leven en denken. Dit geldt overigens niet voor een eminent jurist als Gerard Spong, die door zijn kennis van het Germaanse recht weet hoezeer dat ons huidige recht beinvloed heeft.

Ik geef een citaat uit het boek van F.E. Farwerck, Noordeuropese Mysteriën en hun sporen tot heden (pag. 17):

Het gebruik de doden te begraven, was in Noord-Europa reeds in oeroude tijden in zwang. Het was een religieuze plicht en nog in de latere saga-tijd liet men een verslagen vijand niet onbegraven liggen, ook niet als deze vijand als gevolg van een bloedwraak gevallen was.

Tot de oudste wijze van begraven behoorde die van het bijzetten onder de haard; nog lang de heilige plaats in de woning. In historische tijden kwam dit niet meer voor, maar wel horen wij van het begraven onder de drempel van het huis, wat hiermee gemotiveerd werd dat de dode daar kon zien, of alles op de juiste wijze geschiedde. Dit was echt vermoedelijk een latere motivering.

Het is dan gissen naar wat de oorspronkelijke motivering geweest kan zijn van de Germanen voor het begraven bij de drempel. Aan de andere kant ligt het ook wel enigszins voor de hand. De plaats waar men eerst de dierbare doden begroef, daar waar gestookt en gekookt werd, was natuurlijk een plaats van warmte, voeding en samenzijn. Een overledene onder de drempel, half binnen, half buiten begraven, heeft een symboliek van aanwezigheid, nabijheid en tegelijkertijd afwezigheid. Ik vermoed dat er ook een symboliek van communicatie heeft gespeeld. Voor de Germanen waren de doden helemaal niet zo dood en kon een overledene wellicht belangrijke informatie van de ene wereld naar de andere overbrengen. Er is een oud Deens verhaal, waarin opeens naast de haard een vrouwenhoofd boven de grond komt en begint te spreken.

Dat men onder de vuurplaats niet alleen dierbare doden begroef, maar ook ‘kostbare’ doden blijkt uit historische bronnen die melden dat een Fries die de vader van Graaf Floris V gedood had, deze onder zijn vuurplaats begraven had. Als Floris V in 1281 ten strijde trekt tegen Friesland om zijn vader Willem te wreken, zou het lijk weer zijn opgegraven en aan de Graaf  overgedragen (Burgers 1998, p.7).

De drempel van een huis werd wel gezien als de verblijfplaats van de zielen. De gewoonte om de bruid over de drempel te dragen, wordt wel toegeschreven aan het geloof dat het een slecht voorteken zou zijn als zij bij het betreden van de woning tegen de drempel zou stoten en de zielen verstoren. Een en ander heeft ook nog te maken met de symboliek van het offer. Onder de drempel van boerderijen worden wel bouwoffers gevonden, kruiken met munten of een andere inhoud. Zeer recent op 10 maart 2014 heeft de Faculteit Archeologie van de Rijksuniversiteit Leiden nog een bouwoffer geplaatst voor het aanstaande nieuwe onderkomen.

http://nieuws.leidenuniv.nl/nieuws-2014/bouwoffer-verbouwing-van-steenis.html

Ik ga er niet vanuit dat Allard Wissinger deze tradities bewust kende. Maar in de lijn van Carl Jung geloof ik dat er veel oud cultureel, mythisch materiaal in ons onderbewustzijn sluimert.

Paardenvlees!

Ik snijd nog een ander Germaans thema aan. Vorig jaar ontstond er de nodige beroering rond het gegeven ‘paardenvlees’. Daar hing een wat paniekerige sfeer omheen. Voor de duidelijkheid eerst even, ik ben er een groot voorstander van dat we op een bewuste, respectvolle wijze met dieren omgaan. Terug naar die paniekerige sfeer, toen die ontstond dacht ik: ‘kijk, dit is wel echt een van de grote successen van het Noordwest-Europese christendom!’

De Germanen waren namelijk eigenlijk dol op paardenvlees. Bij de grote feesten werd er voor Wodan een paard geslacht. Het paard werd als het meest gewijde offerdier beschouwd. Er was echt sprake van een ritueel, met schalen met bloed waaruit met offerkwasten gesprenkeld werd. Het vlees van het paard werd dan gegeten, waarbij veel bier gedronken werd. Kortom, echt een feest! Die offerfeesten voor Wodan waren de Kerk een doorn in het oog. Ik citeer nogmaals Farwerck (pag. 80):

Toen in Noorwegen het aantal christenen zo was toegenomen dat zij de meerderheid vormden (voornamelijk door de bloedige bekeringen die koning Olaf doorvoerde, die deswege de bijnaam “de Heilige” kreeg), werd het offeren van paarden algemeen verboden en zelfs het eten van paardevlees.

Koning Olaf, de Heilige

Koning Olaf, “de Heilige” (905-1030)

Van hoeveel belang dit geacht werd, blijkt uit de bekeringsgeschiedenis van IJsland. Toen daar in het jaar 1000 op het alding [het IJslandse parlement MH] het wettelijk besluit genomen werd dat het christendom de officiële godsdienst van het eiland zou worden en dat alle heidenen zich aan de doop hadden te onderwerpen, werd uitdrukkelijk bepaald dat particuliere offers op eigen grond geoorloofd zouden blijven en zelfs het eten van paardevlees. Dit was echter maar van korte duur, want toen de Kerk zich sterk genoeg voelde, werden deze uitzonderingen ingetrokken. De tegenzin tegen paardevlees, die tot onze dagen bij de meeste mensen bestaat, is misschien nog terug te voeren op het voortgezette preken tegen het eten ervan, waarbij op alle mogelijke wijzen getracht werd, een aversie daartegen te wekken.

Dit is wat ik net bedoelde met ‘een van de successen van het Noordwest-Europese christendom’. Een sterke Germaanse, heidense, traditie is daar behoorlijk radicaal om zeep geholpen! Men treft nog slechts hoogst zelden – bewust gekozen – paardenvlees aan op de barbecue!

Sinterklaas

Maar er zijn ook Germaanse tradities die springlevend zijn, zoals het Sinterklaasfeest. Als je het eenmaal weet is het overduidelijk, de overeenkomsten tussen  Wodan en Sinterklaas zijn frappant. Beiden rijden op een schimmel, de een door de lucht, de ander over de daken, beiden hebben een baard en dragen een mantel, de een heeft een staf, de ander een speer. De Germanen hadden al een feest, waarbij geschenken bij de haard geplaatst werden door Wodan, via het rookgat, de schoorsteen. Jonge meisjes kregen een pop van koek waarin zij hun toekomstige echtgenoot konden herkennen. In wat ouder Nederlands noemde met een speculaaspop nog een ‘vrijer’. Wodan wist veel, want hij had een groot boek, dat veel informatie bevatte. Hoe kwam hij aan die informatie? Daar had hij zijn zwarte knechten voor! Hoe kwam Wodan in de Germaanse tijd al aan zwarte knechten in Noordwest-Europa? Het antwoord is simpel, die knechten waren geen mensen, maar raven. Die twee raven hadden ook een naam: Hunin en Munin.  ’s Ochtends vlogen zij uit, doorkruisten de wereld en ’s avonds, als zij tegen etenstijd teruggekeerd waren, zaten zij elk op een schouder van Wodan en vertelden ze wat ze gezien en gehoord hadden. Zo kwam het dus dat Wodan alles wist. Het waren ook eigenlijk geen knechten, we kunnen beter denken aan ridders. Het woord knecht is immers ook duidelijk verwant aan het Engelse woord voor ridder, knight. Deze twee ridderlijke raven waren Wodan zeer dierbaar, hij maakte zich dagelijks zorgen om hen, zouden zij ’s avonds wel weer veilig terugkeren?

Wodan met de raven Hunin en Munin

Wodan met de raven Hunin en Munin

Want wie zou Wodan zijn, zonder zijn Zwarte Ridders? Precies, net als Sinterklaas zonder zijn Zwarte Pieten, volledig onthand. Ik begrijp vanzelfsprekend dat er mensen zijn die onprettige associaties hebben met slavernij en discriminatie bij het zien van Zwarte Piet. Het is ook goed om daarbij stil te staan. Deze tekst hoopt er aan bij te dragen dat er ook nog een ander perspectief is om naar Piet te kijken.

Recht op levensbeëindiging

Het ligt voor de hand om in een tekst die voor een jurist geschreven wordt, ook een onderwerp aan te snijden waar een jurist zich door kan laten inspireren. Er valt ook voor juristen echt iets te ontdekken in de wereld van de Germanen. Ik kies als onderwerp hier het Germaanse concept van ‘recht op levensbeëindiging’. Een recht op zelfdoding, hulp daarbij, euthanasie. Ik onderstreep even dat ik dit bijzonder vind! Dit is een vorm van vrijheid en zelfbeschikking die we – voor zover ik weet – niet makkelijk terugvinden in ander religieuze tradities.

Ik citeer wederom Farwerck (pag. 397):

Het was blijkbaar een veel voorkomend geval, dat oude, ten dode gewijden zelfmoord pleegden of, hetzij op hun verzoek, hetzij bij besluit van anderen, gedood werden. Zo beroofden ouden van dagen, die vonden, dat hun levensavond voorbij was (….) zichzelf door ophangen – dus als offer aan Wodan – van het leven.

Maar het kwam ook voor, dat zij door middel van een knots gedood werden, en wel met instemming van de ouderen zelf, want zij wensten, zoals gezegd is, de dood in te gaan en Walhal te betreden voordat ouderdom of ziekte hen geheel verzwakte

Zo zijn in het portaal van de Kerk van Grossenlinden een veertigtal afbeeldingen aangebracht, waarvan een groot aantal aan de Germaanse Oudheid herinneren, inzonderheid aan mythische of religieuze onderwerpen. Een tweetal, genummerd 27 en 28 zijn blijkbaar voorstellingen van het ritueel doden van ouden van dagen.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                

De Grossen-Linden Kerk inde Hessische stad Linden

De Grossen-Linden Kerk in de Hessische stad Linden

In een belangwekkend artikel heeft Gunnar Grandberg de thans nog bestaande volksoverleveringen verzameld, die zeggen, dat men vroeger ouden van dagen, als ze niet meer konden horen en zien, met knotsen – die nog in de Zweedse kerken bewaard worden – in het openbaar doodgeslagen had.

Als het inderdaad zo was als Farwerck stelt, dat een en ander  (deels) op verzoek en met instemming van de betrokkenen gebeurde, kunnen we die vorm van  doodslaan van ouderen zien als een acte van behulpzaamheid en wellicht barmhartigheid. Ik merk natuurlijk zelf ook wel dat het beeld van het doodslaan van ouden van dagen onprettig binnenkomt. Aan de andere kant is het doodslaan met een knots wel een manier van doden waarmee men het bewustzijn in een fractie van een seconde uit kan schakelen. Kennelijk was dat in de Germaanse tijd de mildste manier om iemand te laten sterven. Wezenlijk een mildere dood dan bij een recente executie in de Verenigde Staten, Ohio, waarbij iemand – op basis van een nieuw drug protocol – vijftien minuten in doodsstrijd verkeerd heeft. Als ik zelf doof en blind zou worden, of serieus dementerend, zou ik denkelijk weinig belangstelling hebben om nog verder te leven. Ik vind het mijn recht mijn leven dan te (laten) beëindigen. Hier kunnen we, meen ik, wel echt iets van de Germanen leren: ouderen die hun leven als voltooid beschouwen en geen zin hebben in aftakeling serieus nemen. Wat dat betreft huist er waarlijk een Germaan in mij!

Wagner

Ik rond deze Germaanse beschouwingen af door het thema ‘zelfgekozen levenseinde’ naar de opera te leiden. De Germaanse mythologie is een bron van inspiratie geweest voor de opera-tetralogie Der Ring des Nibelungen van Richard Wagner. Het zou te ver voeren om op dat werk, zo’n 15 uur muziektheater, in te gaan. Maar in de slotscène kiest de heldin Brünnhilde ervoor haar gestorven geliefde Siegfried in de dood te volgen. Dat doet zij door zichzelf en haar paard – jawel! – te offeren in het vuur. Voor zij dat doet, stuurt zij nog een laatste boodschap naar Wodan, haar vader,  via de twee raven. Ze zingt:

Fliegt heim, ihr Raben! Raunt es eurem Herren was hier am Rhein ihr gehört!

Vlieg naar huis, raven! Breng jullie Heer op de hoogte van wat jullie hier aan de Rijn gehoord hebben!

Even later zingt zij haar paard toe:

Grane, mijn ros, ik groet je

Weet je ook, mijn vriend,    

Waarheen ik je leid?

Stralend in het vuur ligt je Heer                                                                                                     

Siegfried, mijn gezegende held      

Hinnik je van vreugde om je vriend te volgen?

Voor een paar weken – omdat ik geen licentie heb – plaats ik hier een directe link naar YouTube, met de laatste scene van de Götterdämmerung, de Schemering van de Goden, een live opname van een voorstelling uit 2008 in Valencia. Toen ik die beelden voor het eerst zag, krulde er een lach om mijn lippen. De toneelverschijning van  Brünnhilde is wat over the top – zal ik maar zeggen – maar zingen kan ze! Hoewel ik deze muziek van Wagner zelf fantastisch vind, weet ik natuurlijk dat Wagner niet ieders ‘ding’ is. Toch loont het om tot het einde te kijken, want de toneelbeelden zijn werkelijk spectaculair! Daarnaast passen ze ook zeer bij de rijke symboliek van Wagner’s werk.

In vriendschap, Gerard,

Mark

30 maart 2014

Gebruikte literatuur:

Burgers, J.W.J. (1998) Eer en schande van Floris V. Twee oude twistpunten over de geschiedenis van een Hollandse graaf. In: Historisch Tijdschrift Holland, 30e jaargang nummer 1 pp. 1-21

Farwerck, F.E. (1978) Noordeuropese mysteriën en hun sporen tot heden (2e  druk) Deventer, Ankh Hermes

Spong, Gerard (2013) De breuk Amsterdam, Balans

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet weergegeven. Verplichte velden worden middels * weergegeven